Wettelijk conforme en veilige opslag van ontvlambare vloeistoffen in veiligheidskasten
De opslag van ontvlambare vloeistoffen stelt bedrijven in de productie, laboratoria en logistiek voor bijzondere uitdagingen. Zelfs kleine hoeveelheden stoffen met een laag vlampunt kunnen bij brand aanzienlijke schade veroorzaken – voor medewerkers, materiële waarden en bedrijfsprocessen. Tegelijkertijd gelden er duidelijke wettelijke voorschriften die een veilige en wettelijk conforme opslag voorschrijven.
Deze pagina biedt u een gestructureerd overzicht van de eisen die gelden voor de opslag van ontvlambare vloeistoffen in het bedrijf, legt het verschil uit tussen actieve en passieve opslag en laat zien waarom een geschikte veiligheidskast de belangrijkste beschermingsmaatregel is.
Wat verstaat men onder ontvlambare vloeistoffen?
Ontvlambare (of brandbare) vloeistoffen worden beschouwd als gevaarlijke stoffen die, eenmaal ontstoken, in contact met de lucht zelfstandig blijven branden. Een doorslaggevend criterium hierbij is het vlampunt van een stof. Hieronder verstaat men de laagste temperatuur waarbij zich boven een stof een ontvlambaar damp-luchtmengsel kan vormen. Komt dit mengsel in contact met een ontstekingsbron, dan kan dit leiden tot ontbranding of een explosie. Hoe lager het vlampunt, hoe groter het risico in een normale werkomgeving.
Afhankelijk van hun brandgevaar – op basis van het vlam- en kookpunt – worden brandbare vloeistoffen in vier categorieën ingedeeld. De indeling volgens de CLP-verordening is van toepassing op drie van deze categorieën en is te vinden in de H-zinnen 224, 225 en 226 op de productetiketten. Aardolieproducten worden, ongeacht hun vlampunt, in een vierde categorie ingedeeld.
Categorie 1 – H 224
Vlampunt: < 23 °C – ≤ 35 °C
Tekst: Zeer licht ontvlambare vloeistof en damp
Signaalwoord: Gevaar
Voorbeeld: isopentaan, diethylether
Categorie 2 – H 225
Vlampunt: < 23 °C – ≤ 35 °C
Tekst: Licht ontvlambare vloeistof en damp
Signaalwoord: Gevaar
Voorbeeld: aceton, ethanol
Categorie 3 – H 226
Vlampunt: ≥ 23 °C – ≤ 60 °C
Tekst: Ontvlambare vloeistof en damp
Signaalwoord: Gevaar
Voorbeeld: lakken, vele oplosmiddelen
Categorie 4 – H 226
Vlampunt: –
Tekst: Brandbaar
Signaalwoord: Gevaar
Voorbeeld: stookolie, diesel
Actieve en passieve opslag
Passieve opslag
Passieve opslag houdt in dat ontvlambare vloeistoffen uitsluitend worden bewaard in daarvoor geschikte containers. De containers moeten goed afgesloten blijven. Er mag geen direct gebruik plaatsvinden in de vorm van vul- of ledigingshandelingen.
Actieve opslag
Er is sprake van actieve opslag wanneer ontvlambare vloeistoffen regelmatig worden afgenomen of overgegoten. Dit brengt extra gevaren met zich mee door het vrijkomen van dampen uit geopende containers en het daarmee gepaard gaande verhoogde ontstekingsrisico. Voor dit gebruik zijn speciale veiligheidsmaatregelen vereist.
Wettelijke grondslagen en eisen voor opslag van ontvlambare vloeistoffen
Het vlampunt resp. de betreffende categorie is bepalend voor de hoeveelheden ontvlambare vloeistof die onder bepaalde omstandigheden mogen worden opgeslagen.
Bedrijven zijn verplicht gevaarlijke stoffen zodanig te bewaren of op te slaan dat zij geen gevaar vormen voor de menselijke gezondheid en het milieu. Met opslag wordt het bewaren van gevaarlijke stoffen voor later gebruik en afgifte aan derden bedoeld. Dit omvat ook het beschikbaar stellen, bijvoorbeeld voor vervoer of voor het lossen, indien dit niet binnen 24 uur na aanvang of op de daaropvolgende werkdag plaatsvindt. Indien deze werkdag een zaterdag is, eindigt de termijn bij het verstrijken van de volgende werkdag. Misbruik of verkeerd gebruik moet worden voorkomen. Het bewaren van gevaarlijke stoffen in voedselbakken is verboden.
Hieruit vloeien de volgende criteria en beschermingsmaatregelen voort:
- Opslag alleen in geschikte, goed afgesloten containers
- Beperking van de opslagen hoeveelheden in de werkruimte
- Bescherming tegen onbevoegde toegang
- Vermijden van ontstekingsbronnen
- Etikettering overeenkomstig de wetgeving inzake gevaarlijke stoffen
- Beschikbaar stellen van geschikte blusmiddelen
- Opvangvoorzieningen bij lekkages
Ook lege, ongereinigde containers vallen onder dezelfde veiligheidsvoorschriften als gevulde!
De hoeveelheid brandbare vloeistoffen die in een werkruimte mag worden bewaard, is beperkt tot wat tijdens een werkdag of een dienst nodig is. Hoeveelheden die deze limiet overschrijden, moeten worden opgeslagen in daarvoor bestemde opslagruimten, tenzij er een geschikte veiligheidskast voor de opslag wordt gebruikt.
Bovendien is niet elke ruimte in het bedrijf geschikt of toegestaan voor de opslag van ontvlambare stoffen. Om brand, explosies of gevaren te voorkomen, mogen ontvlambare vloeistoffen in de volgende ruimtes noch worden opgeslagen, noch tijdelijk worden neergezet:
- Vlucht- en reddingsroutes
- Trappenhuizen
- Ruimtes waar blootstelling aan hitte kan optreden
- Pauze- en sociale ruimtes
- Doorgangen waar publiek komt
Ook verkeerswegen en drukbezochte werkruimtes moeten kritisch worden beoordeeld. Het doel is altijd om de verspreiding van een brand te voorkomen en veilige vluchtroutes te waarborgen.
In veel bedrijven maken ontvlambare vloeistoffen deel uit van het dagelijkse werk. Typische toepassingsgebieden zijn:
- Productiebedrijven: lakken, verdunners, reinigingsmiddelen, oplosmiddelen, technische vloeistoffen
- Werkplaatsen: benzine, remmenreiniger, oliën, verpakkingen voor gevaarlijke stoffen, spuitbussen
- Laboratoria en testafdelingen: chemicaliën met een laag vlampunt, zelfontbrandbare stoffen
Vaak zijn deze stoffen direct op de werkplek nodig. Juist hier ontstaat echter een verhoogd risico als er geen passende beschermingsmaatregelen worden genomen.
Naast organisatorische maatregelen, zoals risicobeoordeling, regelmatige instructie van de werknemers, het documenteren van de opgeslagen hoeveelheden en regelmatige controle van de toestand van de opslag, staan technische maatregelen, zoals het gebruik van geschikte veiligheidskasten, centraal.
Waarom een geschikte veiligheidskast onmisbaar is
Veiligheidskasten voor de opslag van brandbare vloeistoffen worden in de eerste plaats geclassificeerd in typen op basis van hun brandwerendheid. Dit wordt geregeld door de Europese norm DIN EN 14470-1. Deze classificatie geeft aan hoeveel minuten er verstrijken voordat, in geval van brand, de temperatuur in de kast met 180 K stijgt (de eenheid K = Kelvin wordt gebruikt voor het aangeven van temperatuurverschillen).
De belangrijkste typeclassificaties volgens DIN EN 14470-1 zijn:
Type 90: Biedt de hoogste bescherming, met een brandwerendheid van minimaal 90 minuten. Deze kasten zijn de norm voor de opslag van brandbare vloeistoffen in werkruimten volgens DIN EN 14470-1 en kunnen zonder beperkingen worden gebruikt. Deze kasten zijn voorzien van brandwerende isolatie, zijn brandveilig getest en hebben deuren die in geval van brand automatisch sluiten.
Type 60: Biedt een brandwerendheid van ten minste 60 minuten.
Type 30: Biedt een brandwerendheid van ten minste 30 minuten en is slechts in beperkte mate toegestaan voor het opslaan van ontvlambare stoffen in werkruimten.
Type 15: Brandwerendheid van ten minste 15 minuten.
Veiligheidskasten van het type 90 (F90) worden tegenwoordig beschouwd als de best mogelijke norm voor de opslag van gevaarlijke stoffen in werkruimten. Juist in productie- of logistieke omgevingen, waar stoffen direct beschikbaar moeten zijn, vormt de veiligheidskast van het type 90 de meest praktische en juridisch veilige oplossing.
Het gebruik van veiligheidskasten van het type 90 volgens EN 14470-1 voor de opslag van ontvlambare vloeistoffen in werkruimten biedt duidelijke voordelen:
- Voldoen aan de elementaire vereisten inzake brand- en explosiebeveiliging
- Snelle, effectieve opslag van de gevaarlijke stoffen in de veiligheidskasten na afloop van het werk
- Beperking van de onbeschermde opslag van gevaarlijke stoffen op de werkplek
- Vermindering van het eigen vervoer van gevaarlijke stoffen en de daaraan verbonden risico's
- Flexibiliteit van opslaglocaties
- Opslagruimten kunnen doeltreffender worden gebruikt
Opmerking: In overleg met de plaatselijke brandweer is het ook mogelijk om veiligheidskasten in gangen te plaatsen, mits de breedte van de vluchtwegen hierdoor niet wordt beperkt. Neem hiervoor contact op met de bevoegde instanties.
Explosiebeveiligingsmaatregelen in verband met veiligheidskasten
Zone-indeling
Ex-zones (explosiebeveiligingszones) delen ruimtes met explosiegevaar in op basis van de frequentie en de duur van een explosieve atmosfeer. Voor gassen, dampen of nevel wordt er volgens ATEX onderscheid gemaakt in de volgende zones:
- Zone 0: continu, gedurende lange perioden of vaak
- Zone 1: af en toe bij normaal bedrijf
- Zone 2: zelden en slechts kortstondig
Voor de opslag van ontvlambare vloeistoffen is een explosiebeveiligingsconcept absoluut noodzakelijk om ontstekingsbronnen te voorkomen en explosieve atmosferen (Ex-zone 1 of 2 in de kast) onder controle te houden.
De binnenruimte van veiligheidskasten volgens DIN EN 14470-1 is volgens DGUV-regel 113-001 (EX-RL) bij actieve, bewaakte technische afzuiging (minimaal 10 luchtverversingen per uur) meestal zonevrij, mits uitsluitend gesloten verpakkingen worden opgeslagen. Als de kast niet geventileerd is of als er open/niet dichte verpakkingen worden opgeslagen, moet de gehele binnenruimte worden ingedeeld als zone 2 (zeldzame/kortstondige explosieve atmosfeer). De binnenkant van de afvoerleiding wordt ingedeeld in dezelfde zone als de binnenruimte van de kast. Voor de werkruimte buiten een veiligheidskast met ventilatiesysteem hoeft in de regel geen zone te worden vastgesteld, mits er geen andere emissiebronnen aanwezig zijn.
Een bindende indeling moet in het kader van de risicobeoordeling door een deskundige worden vastgesteld!
Ventilatiesysteem
De noodzaak van een ventilatiesysteem en de specifieke eisen zijn vastgelegd in diverse voorschriften, onder meer in de norm DIN EN 14470-1 voor veiligheidskasten voor ontvlambare vloeistoffen.
Een ventilatiesysteem voor veiligheidskasten is van cruciaal belang om tijdens normaal gebruik te voorkomen dat er zich een explosieve atmosfeer in de kast vormt en om dampen veilig af te voeren. De afvoerlucht moet daarbij in de regel naar een veilige plek, meestal naar buiten, worden geleid of via een recirculatiefilter worden gezuiverd.
De belangrijkste functie van het ventilatiesysteem is het continu afzuigen van potentieel gevaarlijke gassen of dampen die uit opgeslagen chemicaliën kunnen vrijkomen. Aangezien veel brandbare dampen zwaarder zijn dan lucht, zetten ze zich dicht bij de vloer af, waardoor de afzuiging doorgaans in het onderste gedeelte van de kast plaatsvindt. Door deze continue luchtverversing wordt de concentratie van de dampen onder de relevante grenswaarden (bijvoorbeeld de explosiegrens) gehouden.
Bij de opslag van licht vluchtige of giftige stoffen wordt vaak een minimale luchtverversing voorgeschreven, doorgaans tien keer per uur. Voor brandbare vloeistoffen in werkruimten met ventilatiesysteem kan het ventilatiesysteem de omvang van de explosiegevaarlijke zone rondom de kast verkleinen. De ventilatiefunctie moet in de regel worden bewaakt. Als de ventilatie uitvalt, moet dit worden aangegeven door een optisch of akoestisch signaal en moeten indien nodig vervangende maatregelen worden genomen.
Recirculatiefilter-opzetstuk
Als alternatief voor het ventilatiesysteem kan een recirculatiefilter-opzetstuk worden gebruikt, die ventilatie mogelijk maakt zonder directe aansluiting op een afzuigsysteem, doordat deze de schadelijke stoffen eruit filtert en de lucht gezuiverd terugvoert naar de ruimte. Recirculatiefilter-opzetstuks zijn met name geschikt wanneer een bouwtechnische aansluiting op een afzuigsysteem niet mogelijk is. Regelmatig onderhoud en continue filterbewaking zijn absoluut noodzakelijk.
Geschikte veiligheidskasten volgens DIN EN 14470-1 – de essentiële eisen
Veiligheidseisen
- Minimalisering van het brandrisico in samenhang met de opslag van brandbare stoffen en bescherming van de inhoud van de kast in geval van brand gedurende een bekend (getest) tijdsbestek.
- Minimalisering van de in de werkomgeving afgegeven dampen.
- Tegengaan van mogelijke lekkages in de kast.
- De norm vordert genoeg tijd voor personeel om de werkruimte te verlaten en genoeg tijd voor brandweerlieden om in het gebouw te geraken, voordat er door de opgeslagen brandbare stoffen een ongecontroleerde brand ontstaat.
Brandbestendigheid
- Test in een geschikte brandkamer als afzonderlijke, vrijstaande kast.
- De volledige kast moet aan dezelfde warmte blootgesteld zijn.
- Blootstelling aan vuur volgens de standaard temperatuurcurve van EN 1363-1 (5.1.1).
- De temperatuurstijging wordt gemeten in de kast (13 meetpunten op de oppervlakken en de lucht).
- Classificatie van de kast als type 15, 30, 60 of 90.
Deuren
- Moeten vanuit elke stand volledig sluiten (sluittijd max. 20 seconden).
- Ingebouwde vastzetsystemen moeten vastgezette deuren bij een temperatuur van 50 °C (+0/-10 °C) vrijgeven.
Ventilatie
- Luchttoevoer- en luchtafvoeropeningen zijn verplicht.
- De ventilatieopeningen moeten bij een temperatuur van 70 °C (±10 °C) automatisch sluiten.
Legborden en laden
- De legborden en laden moeten de door de fabrikant opgegeven belasting kunnen dragen tijdens de duur van de brand.
Bodemopvangbak
- De bodemopvangbak moet na de brandbestendigheidstest blijven functioneren.
- Visuele controle (vul de bodemopvangbak met water).
Mee te leveren informatie
Gebruiksaanwijzing met gegevens over de maximale belasting van de legborden of laden van de kast en over de inhoud van de bodemopvangbak, aanbevelingen voor controle en onderhoud, conformiteitsverklaring van de fabrikant of conformiteitsverklaringen van een geautoriseerde instantie voor het testen van materialen.
Classificatie en kenmerking
- Advies: deuren na gebruik gesloten houden
- Waarschuwingssymbolen ’Caution: risk of fire’ en ’Fire: open light and smoking forbidden’ volgens ISO 3864
- De brandbestendigheid in minuten conform DIN EN 14470-1
- Naam en/of handelsmerk van de fabrikant
- Modelnummer en bouwjaar
Een gecertificeerde veiligheidskast biedt:
- Bescherming van werknemers
- Vermindering van brand- en explosierisico’s
- Gecertificeerde brandwerendheid
- Automatische deursluiting in geval van brand
- Rookdichte constructie
- Geïntegreerde bodemopvangbak
- Ventilatieaansluiting of recirculatiefilter
- Bescherming van de inhoud van de kast
- Tijdwinst voor evacuatie en brandbestrijding
- Etikettering volgens GHS
- Beperking van aansprakelijkheidsrisico’s
Veiligheidskasten van het type 90 voldoen aan de strenge brandveiligheidseisen en maken het mogelijk om brandbare vloeistoffen in de werkruimte op te slaan.
Veilig en conform de wet dankzij de juiste opslagoplossing
De opslag van ontvlambare vloeistoffen is geen bijzaak, maar een centraal onderdeel van de brandveiligheid binnen het bedrijf. Bedrijven zijn verplicht om risico’s systematisch te minimaliseren en zich aan de wettelijke voorschriften te houden. Wie in een vroeg stadium kiest voor gecertificeerde veiligheidskasten, zorgt voor duidelijke structuren, beschermt het bedrijf en voldoet op betrouwbare wijze aan de wettelijke eisen.
Ontdek onze oplossingen voor de veilige en wettelijk conforme opslag van ontvlambare vloeistoffen en vind de uitvoering die het beste bij uw behoeften past.
Verklaring van de gebruikte begrippen en afkortingen
ATEX:
Staat voor 'Atmosphères Explosibles' (explosieve atmosferen) en verwijst naar twee EU-richtlijnen (2014/34/EU voor producten, 1999/92/EG voor exploitanten) die de explosiebeveiliging regelen. Deze richtlijnen verplichten fabrikanten tot het markeren van apparatuur voor gevaarlijke zones en exploitanten van installaties tot het indelen in zones (0-2 voor gas, 20-22 voor stof).
CLP:
De CLP-verordening is een EU-verordening inzake chemische stoffen en staat voor 'Classification, Labelling and Packaging', oftewel de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels. De CLP-verordening implementeert het wereldwijd geharmoniseerde systeem voor de indeling en etikettering van chemische stoffen (GHS) van de VN in de Europese Economische Ruimte.
DIN EN 14470-1:
Europese norm voor veiligheidskasten voor de opslag van onvlambare vloeistoffen in werkruimten. Deze norm classificeert kasten op basis van hun brandwerendheid en regelt de brandveiligheid, het opvangen van lekkages en de ventilatie-eisen.
EN 1363-1:
Europese basisnorm voor brandwerendheidstests. Deze norm legt de algemene eisen en beginselen vast op basis waarvan componenten worden getest op hun brandwerendheid.
GHS:
Staat voor 'Globally Harmonized System of Classification, Labelling and Packaging of Chemicals', een wereldwijd geharmoniseerd systeem voor de indeling en etikettering van chemische stoffen en de vermelding daarvan op verpakkingen en in veiligheidsinformatiebladen. Het wordt om de twee jaar bijgewerkt, zodat bij elke verwijzing naar het GHS rekening moet worden gehouden met de actuele stand van zaken.
H- en P-zinnen:
De gevaren- en veiligheidsaanwijzingen ('hazard statements' en 'precautionary statements') zijn gestandaardiseerde, korte veiligheidsaanwijzingen voor gevaarlijke stoffen, die worden gebruikt in het kader van het wereldwijd geharmoniseerde systeem voor de indeling en etikettering van chemische stoffen (GHS).
ISO 3864:
De ISO 3864-normenreeks definieert internationale normen voor veiligheidskleuren, veiligheidstekens en markeringen op werkplekken en in openbare ruimtes, om ongevallen en gezondheidsrisico’s te voorkomen door middel van een uniforme, taalonafhankelijke markering.